Na de verwoesting

In de jaren vijftig van de vorige eeuw legde de Amerikaanse fotograaf Leonard Freed (1929-2006) het leven van Joodse Amsterdammers op de gevoelige plaat vast. Recentelijk schafte het Joods Historisch Museum in totaal 233 van de ruim 2.500 opnamen die de fotograaf in die periode maakte aan, en eind oktober opende er een tentoonstelling rondom dit vroege werk van Freed. Gelijktijdig met de opening van de expositie verscheen ook de zorgvuldig samengestelde catalogus De oorlog voorbij. Zowel het boek als de tentoonstelling doet op aansprekende wijze verslag van het sociale leven na de verwoesting.

Alsof de wereld heel even op pauze gezet is

Leonard Freed, De oorlog voorbij 1

Voor de Tweede Wereldoorlog leefden er zo’n 80.000 Joden in Amsterdam, na 1945 telde de gemeenschap nog slechts 20.000 mensen, een kleine groep die hard werkte om de oorlog te boven te komen. De Amerikaanse Freed, kind van uit Minsk geëmigreerde Joden, interesseerde zich al vanaf jonge leeftijd voor de Joodse cultuur en joodse religieuze tradities en het is dan ook niet heel verwonderlijk dat hij, nadat hij zich als beginnend fotograaf in 1957 in Amsterdam vestigt, zijn blik op de Joodse gemeenschap in de stad richt.

Freed besluit een fotodocumentaire over het herstel van het Joodse leven in Amsterdam te maken, en met hulp van journalist Max Snijders slaagt hij erin om in minder dan een jaar tijd een paar duizend foto’s van het leven van Amsterdamse Joden te maken. In 1958 verschijnt Joden van Amsterdam bij uitgeverij De Bezige Bij, een boekje met 52 foto’s van Freed en een essay van Snijders. In hun inleiding bij Joden van Amsterdam schrijven ze:

‘Wij hebben niet gestreefd naar het samenstellen van een catalogus, maar naar het weergeven van een sfeer. Niet naar het vaststellen van officiële meningen, maar naar het uitspreken en uitbeelden van een persoonlijke visie. Geen opsomming of een inventarisatie, maar de schildering van een levende gemeenschap is het doel geweest.’

En dat is inderdaad het gevoel dat de beste van de voor de tentoonstelling verzamelde foto’s oproepen. Dat komt niet alleen doordat Freed belangrijke aspecten van het Joodse sociale leven vastlegde maar ook door zijn stijl van fotograferen. ‘Een volmaakte compositie nam volgens Freed het leven en de ziel weg uit een foto,’ schrijft conservator fotografie Bernadette van Woerkom in de catalogus. Hij gebruikte een kleine Leica en keek niet door de lens als hij fotografeerde, waardoor mensen zich er vaak niet van bewust waren dat ze op de foto gezet werden en niet de gelegenheid hadden om tot een stilstaand beeld te verstarren. Het geeft de foto’s een bepaalde oprechtheid.

Freeds werk doet me denken aan de onlangs ontdekte foto’s van Vivian Maier. Ook zij fotografeerde mensen vaak zonder dat ze het wisten, en net als bij sommige van haar foto’s krijg ik bij die van Freed het gevoel dat hij iets wezenlijks van de gefotografeerden heeft weten te vangen. Zo raak ik ontroerd door de vrolijke en open blik van een van de jongetjes die hij in de Portugese Synagoge op de foto zette.

freed-de-oorlog-voorbij-2

De foto’s zijn des te levendiger omdat Freed heel vlug fotografeerde. Je valt daardoor als kijker midden in de handeling. Het is alsof de wereld heel even op pauze gezet is maar elk moment weer kan beginnen met draaien. Neem bijvoorbeeld de foto’s van de dansavond voor Joodse jongeren: Freed fotografeert de dansers in volle beweging, alsof ze elk moment uit het kader kunnen swingen.

Boterkoek en gemberbolussen

Wat de foto’s ook bijzonder maakt is dat er in die tijd niet veel fotografen waren die het Joodse leven in Amsterdam in die periode vastgelegd hebben. Fotografen als Emmy Andriesse en Philip Mechanicus kozen weliswaar de vervallen Joodse buurt als onderwerp maar behalve de Poolse Boris Kowadlo fotografeerde alleen Freed de Joodse gemeenschap van vlak na de oorlog. Dat veel van de foto’s van Kowadlo verloren zijn gegaan, maakt Freeds werk des te belangrijker.

Op de foto’s van Freed vind ik het Amsterdam dat ik ken uit de verhalen van mijn vader. Ik speur ze af op zoek naar bekende gezichten. In 1957 werkte mijn vader, toen vijftien jaar, bij de kraam van mijn ome Harry op het Waterlooplein. Zie ik een van beide ergens op de foto’s? En is die schoenenkraam misschien van Sjeintje Boterkoek – de vrouw die eens boterkoek met margarine in plaats van boter bakte en daar tot in lengte van dagen mee geplaagd werd? Op een van de foto’s van de inmiddels gesloten Bakkerij Verdooner in Amsterdam-Oost zie ik rijen glanzende gemberbolussen. ‘Dat waren de beste van Amsterdam, zo maken ze ze nergens meer,’ vertelde een vroeger buurmeisje van mijn vader me laatst nog.

freed-de-oorlog-voorbij-3

Maar ook voor wie geen persoonlijke connectie met het Joodse leven uit die tijd heeft, zijn het boek en de expositie de moeite waard. De foto’s zijn zorgvuldig geannoteerd. Zo worden onder andere veel joods-religieuze gebruiken uitgelegd en kom je meer te weten over de diamant- en textielhandel. Daarnaast wordt de tentoonstelling van de foto’s vergezeld door enkele interviews met mensen die persoonlijke verhalen over het gefotografeerde vertellen – Freed fotografeerde bijvoorbeeld de voorbereidingen voor de sjabbes bij de familie Moskovits en jongste dochter Aviva voorziet deze beelden zestig jaar later van context. Maar belangrijker is dat het simpelweg mooie, aansprekende beelden zijn. Je hoeft echt niets van een bar mitswa te weten om de trots en de blijdschap op de gezichten van de ouders van Naftali Schipper te herkennen.

N.B. Ik schreef deze bespreking voor Athenaeum.nl.

28 december 2015